worship
Example: Aanbidding is een belangrijk aspect van de religie.
LanguageKnow Home · Browse Languages · All languages dictionary index
This page lists every public Dutch entry in the LanguageKnow community dictionary. It currently lists 276 words and 133 phrases. This data is openly available at no cost for language preservation and research, with attribution to LanguageKnow. You can return to the home page or browse all languages at any time.
Browse Dutch and other languages on LanguageKnow
worship
Example: Aanbidding is een belangrijk aspect van de religie.
offer
Example: Deze aanbieding loopt tot het einde van de maand.
purchase
Example: Mijn laatste aankoop was een nieuwe laptop.
registration deadline
Example: De aanmelddeadline voor de cursus is 15 februari.
registration
Example: De aanmelding voor de conferentie is geopend.
registration procedure
Example: De aanmeldingsprocedure is eenvoudig en snel.
approach
Example: De nieuwe aanpak heeft geleid tot betere resultaten.
approach to shortage of teachers
Example: De overheid heeft een aanpak lerarentekort gepresenteerd.
programme minor
Example: De student koos voor een aanschuifminor in psychologie.
point of contact
Example: Voor technische ondersteuning is de helpdesk het aanspreekpunt.
supplementary grant
Example: De universiteit biedt een aanvullende beurs voor internationale studenten.
presence
Example: Haar aanwezigheid op de vergadering was essentieel.
minimum attendance
Example: De aanwezigheidsgrens voor de workshop is tien personen.
mandatory attendance
Example: Er geldt een aanwezigheidsplicht voor alle studenten tijdens de toetsweek.
eight
Example: Ik werk acht uur per dag.
behind
Example: De tuin is achter het huis.
idols
Example: In oude tijden vereerden mensen afgoden.
settlement
Example: Bij de afrekening kreeg ik korting op mijn totale bedrag.
closing down
Example: Ik sluit altijd de deur af als ik wegga.
appointment
Example: We hebben een afspraak om drie uur.
making an appointment
Example: We hebben afgesproken om te lunchen.
runoff
Example: Afstroming kan de waterkwaliteit van rivieren aantasten.
waste management
Example: Efficiënt afvalbeheer is essentieel voor een beter milieu.
removing
Example: We moeten de oude meubels afvoeren.
doing the dishes
Example: Na het diner moet ik de afwas doen.
if
Example: Als het mooi weer is, gaan we naar het strand.
ambition
Example: Zijn ambitie om te slagen was opmerkelijk.
fear
Example: De angst voor het onbekende houdt veel mensen tegen.
to answer
Example: Zij antwoordt op de e-mail.
car
Example: Mijn auto is blauw.
to understand
Example: Ik begrijp wat je bedoelt.
conservation
Example: Behoud van biodiversiteit is belangrijk voor de toekomst.
payment
Example: De betaling kan contant of met een creditcard zijn.
payment term
Example: De betalingstermijn is 30 dagen na ontvangst van de factuur.
at, near, with
Example: Zij is bij de winkel.
playing billiards
Example: We biljarten elke vrijdagavond met vrienden.
inside
Example: De kinderen spelen binnen.
inside
Example: De kat zit binnenin de doos.
biodiversity
Example: Biodiversiteit is belangrijk voor de stabiliteit van ecosystemen.
blue
Example: De lucht is blauw.
flower
Example: Deze bloem is mooi.
book
Example: Ik lees een leuk boek.
tree
Example: Deze boom is hoger dan het huis.
above
Example: De lamp hangt boven de eettafel.
on top of
Example: Het boek ligt bovenop de stapel.
outside
Example: Het is mooi weer om buiten te spelen.
check
Example: Zij betaalde met een cheque in plaats van met contant geld.
communion
Example: De kinderen maakten hun eerste communie afgelopen zondag.
composition
Example: De muziek was een prachtige compositie van religieuze thema's.
cash
Example: Je kunt alleen contant betalen in deze winkel.
credit card
Example: Je kunt met je creditcard betalen.
therefore
Example: Het regent, daarom neem ik een paraplu mee.
day
Example: Vandaag is een mooie dag.
the car
Example: Mijn auto is kapot.
the couch
Example: We hebben een nieuwe bank in de woonkamer.
the pants
Example: Mijn broek is te groot.
the bicycle
Example: Ik ga naar mijn werk met de fiets.
to find the dog in the pot
Example: Toen hij thuiskwam, vond hij de hond in de pot.
the coat
Example: Ze draagt een warme jas.
to buy a pig in a poke
Example: Hij kocht een kat in de zak toen hij die tweedehands auto kocht.
to wait and see
Example: Voordat hij iets zei, keek hij eerst de kat uit de boom.
the mill has broken through the catch
Example: Alles ging mis; de molen is door de vang.
the rain
Example: Het is vandaag veel regen.
the raincoat
Example: Hij heeft een nieuwe regenjas gekocht.
to hit the nail on the head
Example: Met zijn opmerking sloeg hij de spijker op de kop.
the chair
Example: Ik zit op de stoel.
the table
Example: De tafel staat in de eetkamer.
the train
Example: De trein vertrekt over vijf minuten.
to think
Example: Ik denk dat het gaat regenen.
near
Example: Het station is dichtbij.
to do
Example: Wat ga je vandaag doen?
through
Example: We lopen door het park.
three
Example: We hebben drie boeken.
to drink
Example: Zij drinkt graag thee.
dunes
Example: De duinen langs de kust zijn prachtig.
so
Example: Het regent, dus we blijven binnen.
however
Example: Het is koud, echter, de zon schijnt.
ecosystem
Example: Een gezond ecosysteem is cruciaal voor het leven.
one
Example: Ik heb één appel.
to buy a pig in a poke
Example: Hij kocht een kat in de zak toen hij die tweedehands auto kocht.
honor
Example: Hij wordt gerespecteerd om zijn eer en integriteit.
earlier
Example: Ik sta meestal eerder op dan mijn partner.
and
Example: Ik heb een appel en een banaan.
to eat
Example: Wij eten om zes uur 's avonds.
invoice
Example: Zorg ervoor dat je de factuur goed bewaard.
biking
Example: Ik fiets elke dag naar mijn werk.
to go
Example: Ik ga naar de winkel.
hallway
Example: De gang is donker.
prayer
Example: Elke ochtend begint hij zijn dag met een gebed.
to use
Example: Je kunt deze pen gebruiken om te schrijven.
yellow
Example: De zon is geel.
money
Example: Ik heb niet genoeg geld om die jas te kopen.
ATM
Example: Laten we naar de dichtstbijzijnde geldautomaat gaan.
faith
Example: Zijn geloof gaf hem hoop in moeilijke tijden.
belief
Example: Geloven in jezelf is de eerste stap naar succes.
happiness
Example: Geluk is een keuze die we elke dag maken.
grace
Example: Ze vond genade in haar moeilijke momenten.
geography
Example: Geografie helpt ons te begrijpen hoe de wereld werkt.
to give
Example: Zij geeft haar vriend een cadeau.
feeling
Example: Het gevoel van saamhorigheid was overweldigend.
good
Example: Dit is een goed idee.
green
Example: De bomen zijn groen in de zomer.
big
Example: Zij woont in een groot huis.
holy
Example: Dit is een heilige plaats voor veel gelovigen.
sanctuary
Example: Het heiligdom is een belangrijke plek voor pelgrims.
reforestation
Example: Herbebossing helpt om CO2 te verminderen.
to remember
Example: Ik herinner me onze eerste ontmoeting.
hierarchy
Example: De hiërarchie in dit ecosysteem is complex.
although
Example: Hoewel het koud is, ga ik wandelen.
tall trees catch a lot of wind
Example: Als directeur moet je weten dat hoge bomen veel wind vangen.
dog
Example: De hond blaft.
head
Example: Hij heeft een pijn in zijn hoofd.
high
Example: De bergen zijn hoog.
house
Example: Dat huis is van mij.
housekeeping
Example: Het huishouden vergt veel tijd en aandacht.
identity
Example: Identiteit vormt een belangrijk onderdeel van onze cultuur.
to import
Example: We importeren fruit van Zuid-Amerika.
if
Example: Indien het regent, gaan we niet wandelen.
year
Example: Hij is 30 jaar oud.
young
Example: Zij is een jong meisje.
cash register
Example: De kassa is aan de voorkant van de winkel.
cat
Example: De kat slaapt op de bank.
child
Example: Het kind speelt in de tuin.
dressing
Example: Ze kleedt zich altijd snel aan in de ochtend.
small
Example: Hij heeft een klein hondje.
climate
Example: Het klimaat in Nederland is gematigd.
climate zone
Example: Deze planten groeien het beste in een warme klimaat zone.
to climb
Example: Hij klimt de berg op.
clock
Example: De klok in de woonkamer staat stil.
brewing coffee
Example: Mijn man zet elke ochtend koffie.
to come
Example: Zij komt morgen op bezoek.
bargain
Example: Dit jurkje was een echt koopje.
discount
Example: Ik kreeg 20% korting op mijn aankoop.
discount coupon
Example: Ik heb een kortingsbon voor deze winkel.
discount code
Example: Gebruik de kortingscode bij het afrekenen.
strength
Example: Zijn kracht kwam voort uit zijn vast geloof.
receipt
Example: Bewaar de kwitantie voor de garantie.
landscape
Example: Het landschap hier is adembenemend mooi.
landscape type
Example: Het landschapstype van deze regio is agrarisch.
long
Example: De rivier is heel lang.
along
Example: We lopen langs de rivier.
life
Example: Het leven is mooi.
supplier
Example: Onze leverancier kan de materialen snel leveren.
light
Example: Het licht is fel vandaag.
but
Example: Ik wil gaan, maar ik ben moe.
to make
Example: Hij maakt een tekening.
market
Example: Ik ga naar de markt.
meditation
Example: Regelmatige meditatie kan stress verminderen.
meditative
Example: Ze vond de meditatieve toestand heel kalmerend.
with
Example: Ik ga met mijn vrienden naar het concert.
to get straight to the point
Example: Mag ik even met de deur in huis vallen? Ik heb je hulp nodig.
environmental pollution
Example: Milieuvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid.
mother
Example: Mijn moeder is lief.
motivation
Example: Haar motivatie om te leren was bewonderenswaardig.
mystery
Example: Het mysterie van het leven fascineert veel mensen.
mysticism
Example: Mystiek speelt een grote rol in veel religies.
to
Example: Ik ga naar school.
beside, next to
Example: Het restaurant is naast de bioscoop.
closeness
Example: De nabijheid van anderen kan troost bieden.
after
Example: We gingen naar huis nadat de film was afgelopen.
nature reserve
Example: De bossen zijn een belangrijk natuurgebied.
nine
Example: Er zijn negen sterren aan de lucht.
to take
Example: Neem je jas mee naar buiten.
can't go through the brace
Example: Wat hij zei, kan echt niet door de beugel.
new
Example: Ik heb een nieuw boek gekocht.
or
Example: Wil je koffie of thee?
at
Example: We vertrekken om acht uur.
because
Example: Ik ga naar huis omdat het regent.
under
Example: De pen is onder het bureau.
meanwhile
Example: Ik lees een boek, ondertussen kookt zij het avondeten.
breakfast
Example: Ik eet elke ochtend een gezond ontbijt.
on
Example: Het boek ligt op de tafel.
revelation
Example: De openbaring kwam in een droom.
orange
Example: De sinaasappels zijn oranje.
old
Example: Dit is een oud schilderij.
over, about
Example: We praten over het boek.
to talk about little cows and calves
Example: Op het feestje praatten we vooral over koetjes en kalfjes.
horse
Example: Het paard rent snel.
purple
Example: Ze draagt een paarse jurk.
wallet
Example: Ze heeft altijd haar portemonnee bij zich.
price
Example: De prijs van dit shirt is te hoog.
price tag
Example: Het prijskaartje was te klein om te lezen.
prophecy
Example: De profetie voorspelde grote veranderingen.
to run
Example: Ik ren elke ochtend in het park.
ritual
Example: De ceremonie omvatte verschillende rituelen.
around
Example: We lopen rond het park.
red
Example: De appel is rood.
sacrality
Example: De sacraliteit van deze plek is voelbaar voor iedereen.
coherence
Example: Er is een sterke samenhang tussen deze ideeën.
collaboration
Example: Samenwerking tussen teams is cruciaal voor succes.
since
Example: Sinds gisteren is het weer beter.
since then
Example: Hij is verhuisd; sindsdien hebben we elkaar niet meer gezien.
to sleep
Example: Hij slaapt acht uur per nacht.
bad
Example: Het weer is vandaag slecht.
piggy bank
Example: Mijn dochter spaart voor een nieuwe fiets in haar spaarpot.
to save
Example: Ik probeer te sparen voor een nieuwe fiets.
spirituality
Example: Haar spiritualiteit helpt haar om innerlijke rust te vinden.
doing sports
Example: Ik sport drie keer per week.
to speak
Example: Hij spreekt drie talen vloeiend.
to jump
Example: De kinderen springen op de trampoline.
silence
Example: In de stilte vond ik de antwoorden die ik zocht.
chair
Example: Zet de stoel daar neer.
river basin
Example: Het stroomgebied van deze rivier is erg groot.
table
Example: De tafel is van hout.
brushing teeth
Example: Na het ontbijt ga ik mijn tanden poetsen.
against
Example: Hij leunt tegen de muur.
opposite
Example: Het restaurant ligt tegenover het park.
watching television
Example: Na het avondeten kijken we televisie.
unless
Example: Ik ga naar het feest, tenzij ik ziek ben.
while
Example: Hij leest de krant terwijl hij ontbijt.
ten
Example: Dit kost tien euro.
future
Example: De toekomst is wat we ervan maken.
when
Example: Toen ik jong was, speelde ik veel buiten.
tradition
Example: Onze traditie is om elke zondag samen te bidden.
transaction
Example: De transactie werd succesvol voltooid.
between
Example: De bal ligt tussen de stoelen.
two
Example: Zij heeft twee honden.
challenge
Example: Het oplossen van dit probleem is een grote uitdaging.
expenses
Example: Houd rekening met je uitgaven deze maand.
to explain
Example: De leraar legt de grammatica uit.
sale
Example: De uitverkoop begint volgende week.
father
Example: Zijn vader werkt hard.
from, of
Example: Het boek is van de bibliotheek.
change
Example: Verandering is een constant in het leven.
responsibility
Example: Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid nemen in de samenleving.
imagination
Example: Verbeelding speelt een belangrijke rol in creativiteit.
distribution
Example: De verdeling van natuurlijke hulpbronnen moet eerlijk zijn.
forgive
Example: Vergeef elkaar om een leven in vrede te leiden.
to forget
Example: Hij is zijn sleutels vergeten.
birthday
Example: Ik vier mijn verjaardag in het weekend.
enlightenment
Example: Veel religies streven naar verlichting als ultiem doel.
redemption
Example: Verlossing is een centraal thema in veel religies.
packaging
Example: De verpakking van dit product is volledig recyclebaar.
to tell
Example: Zij vertelt een interessant verhaal.
trust
Example: Vertrouwen is essentieel in elke relatie.
pollution
Example: Vervuiling van lucht en water is een groot probleem.
four
Example: Hij heeft vier appels gekocht.
five
Example: We hebben vijf kamers in het huis.
fish
Example: De vis zwemt in het water.
bird
Example: Ik zie een vogel in de boom.
perfection
Example: In de religie wordt volmaaktheid als een doel gezien.
for
Example: Dit cadeau is voor jou.
before
Example: Ik bel je voordat ik vertrek.
to ask
Example: Ik vraag om hulp.
friend
Example: Mijn vriend is heel leuk.
freedom
Example: Vrijheid is een fundamenteel mensenrecht.
woman
Example: De vrouw kookt het avondeten.
to wake
Example: Ik word elke ochtend om zeven uur wakker.
to walk
Example: Zij wandelt naar haar werk.
when
Example: Wanneer komt de trein aan?
because
Example: Ik ga naar huis, want het is laat.
to wash
Example: Zij wast haar handen voor het eten.
water board
Example: Het waterschap zorgt voor de waterkwaliteit in onze regio.
world
Example: De wereld is groot.
working
Example: Hij werkt van negen tot vijf.
wisdom
Example: Wijsheid komt vaak met de jaren.
to want
Example: Wij willen een nieuwe auto kopen.
store
Example: Ik ga naar de winkel om boodschappen te doen.
shopping cart
Example: Zet de boodschappen in het winkelmandje.
shopping trolley
Example: Neem de winkelwagen mee om je boodschappen te doen.
to exchange
Example: Ik wil mijn euro's wisselen voor dollars.
white
Example: De sneeuw is wit.
blessing
Example: De priester gaf ons zijn zegen tijdens de dienst.
same
Example: Wij hebben dezelfde mening.
six
Example: Zes mensen zijn aanwezig.
to put
Example: Zet de boeken op de tafel.
seven
Example: Zeven dagen in de week.
soul salvation
Example: De prediker sprak over het zielenheil van de mens.
peace of mind
Example: Na een lange meditatie vond ik eindelijk mijn zielenrust.
to see
Example: Ik zie de vogels in de lucht.
so that
Example: Ze studeert hard, zodat ze slaagt voor het examen.
as soon as
Example: Zodra ik thuis ben, bel ik je.
sun
Example: De zon schijnt vandaag.
without
Example: Ik drink mijn koffie zonder suiker.
black
Example: De nacht is zwart.
to swim
Example: Wij zwemmen in het zwembad.
If you can’t win, don’t join in
That was thoughtless of me.
The best helmsmen stand on the shore
The king's hand
To wait and see how things turn out
The bullet has gone through the church
To hit the nail on the head
The foot of the elephant
Can't see the forest for the trees
Turn right at the traffic light.
To buy a pig in a poke
Go straight ahead and then right.
Did I get a discount?
Do you have any stories to share about the family?
Do you have rooms with a view?
Do you have documentation about the area?
Do you have a discount for students?
Do you have a restaurant?
Do you have rooms available?
It is always nice to be together.
I'm sorry that I disappointed you.
I'm so sorry for the inconvenience.
I'm sorry, that was a mistake.
It’s been a while since we saw each other!
I didn't mean to hurt you.
How are the grandchildren doing?
How do I get to the museum?
How far is the city center?
How far is it from here?
How much is this in total?
How much does a night cost?
Tall trees catch a lot of wind
To take something with a grain of salt
To lay something on one's doorstep
I understand very well that you are angry.
I am so happy that we are together today!
I apologize for the confusion.
I apologize for the misunderstanding.
I should have known better.
I shouldn't have said that.
I have a fun idea for the family gathering.
I have a reservation.
I have a question about my order.
I look forward to meeting your children.
I appreciate your patience while I resolve this.
I would like to buy this.
I would like a late check-out.
I would like to take a test drive.
I would like to go to the park.
I'm looking for the highway.
Is this size still available?
Is this the right direction to the hotel?
Is there a bus that goes to the beach?
Is there a gym?
Is there a warranty on this product?
Is there a safe in the room?
Is there a minibar in the room?
Is there a possibility for an extra bed?
Is there a special offer today?
Is there a kettle in the room?
Is there a swimming pool in the hotel?
Is there free Wi-Fi?
Is it possible to check in late?
Is breakfast included?
Is it far from the center?
You need to cross the bridge.
Can I get a sample?
Can I book a taxi?
Can I pay with debit card?
Can I see my room?
To build little towers
Can you give a map of the city?
Can you forgive me?
Can you tell me how to get there?
Can we order breakfast in the room?
Can you turn on the heating?
Could you please wrap this up?
Can you arrange a package for me?
Can you prepare breakfast for me?
Could you reorder this?
Could you give me a bag?
Can you help me with my luggage?
Let’s plan a game night!
Let’s do the dishes together.
May I have the key?
Can I return this?
May I offer a round of coffee?
Can I have a quiet room, please?
Can I park here?
To get straight to the point
To land in clover
My apologies for the delay.
Take the first street on the left.
Don't take it personally.
Don't mind my behavior.
The truth comes to light
To fall under the law
Sorry that I'm late.
Sorry for the confusion that occurred.
Sorry for the inconvenience I've caused.
Sorry, I wasn't listening properly.
Until what time is the reception open?
To kill two birds with one stone
Where is the customer service?
Where is the elevator?
Where is the reception?
Where is the exit?
Where is the nearest train station?
Where can I do the laundry?
Where can I buy a map?
Where can I take a taxi?
Where can I park?
When is the housekeeping service?
What is the shortest route to the hospital?
What is the address of this place?
How much does this cost?
How nice to see you again!
What kind of noise disturbances can we expect?
What are the cancellation policies?
What are the check-in and check-out times?
What are the options for an upgrade?
We have a family tradition that we need to pass down!
We should meet up more often!
Who is bringing the snacks to the party?
Who has the most votes for the dish?
Who is responsible for the preparations?
Are we setting up the tables outside for the barbecue?
Are there towels in the room?
Are there special offers for guests?
Are you still looking for a partner for the family photo?
Without a fight or a struggle
Could I exchange this?
Could I see this, please?